Geplaatst op Geef een reactie

Het maken van wijn

Als in september alle druiven worden geoogst, is het topdrukte in de kelder en moet alles klaarstaan. De machines moeten schoon zijn om de duizenden liters te verwerken. De druiven worden gekneusd en in een vat gedaan om te gisten. Hierdoor komen de smaken vrij die onder en in de schil zitten. Bij witte wijn worden de schillen direct weer weggehaald, maar bij rode wijn blijven de schillen lang zitten. De schillen zorgen namelijk voor de kleur in wijn. Druivensap is namelijk van zichzelf wit/geel.

Op gegeven moment drijven de schillen bovenop de massa, maar ze mogen niet uitdrogen. Daarom wordt het geheel regelmatig omgeroerd. Vaak gaat dit nog met de hand: een grote kromme stok zorgt ervoor dat alles goed vermengd wordt. Hierna start het chemische proces; de vergisting.

Jonge wijnen

De eerste gisting waar het product mee te maken krijgt, is de alcoholische gisting. Suikers worden omgezet worden in alcohol met als resultaat jonge wijn. Een wijn die vaak al heerlijk is, zoals de Mafesousa. In sommige jonge wijnen kunnen veel appelzuren zitten en dan is een tweede gisting nodig, de malolactische gisting. Appelzuren veranderen naar melkzuren voor een zachtere smaak. De tweede gisting is januari al goed op gang. Met constante supervisie en analyse houdt de wijnmaker de zuurgraad goed in de gaten. Zo krijgt wijn de perfecte smaak. De wijn zit dan in grote roestvrijstalen tanks.

Als de gisting is voltooid, is het tijd voor de klaring. Wijn wordt dan helder gemaakt. Zo worden bacteriën en gist verwijderd. Hiervoor kan onder andere geklopt eiwit zoals bij onze Lacaze, gelatine of bentoniet, een soort kalk en klei. Dan is een wijn veganistisch zoals de Noemus. Bij witte wijn wordt dat niet gedaan. Dit komt omdat de wijn niet veel appelzuren bevat, daar volstaat een normaal filter.

Wijnvaten: een wereld van verschil

Wijn zit in luchtdichte vaten, maar na deze periode brengt de boer de wijn bewust in contact met zuurstof. Boeren doen dat door middel van het oversteken van wijn, oftewel het overhevelen of –pompen van wijn om verder ongewenst bezinksel te scheiden. De wijn kan een aantal keer worden overgestoken, afhankelijk van de soort wijn.

Als de wijnen goed zijn blijven ze rijpen in vaten. Rode wijn die in houten vaten ligt, gaat in de vaten om daar een paar maanden tot jaren te blijven liggen. Hierna worden de flessen gebotteld. Het soort hout, hoe nieuw het hout is en het formaat van het vat maken allemaal uit. Alle factoren hebben invloed op de smaak van de wijn en kunnen van hetzelfde druivensap totaal andere wijn maken. De exacte tijd in het vat hangt af van onder meer de soort wijn en de efficiëntie van de bottelarij. Na de botteling blijft wijn vaak nog een korte tijd in de fles rijpen. Dan krijgt de wijn zijn optimale smaak.

Natuurlijk zijn er verschillen per gebied in verband met zoals temperatuur en vochtigheid. Op het zuidelijk halfrond vindt alles zes maanden eerder per jaar plaats. Dan kan je nu genieten!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *